Over ons

Bewijst ‘de wetenschap’ dat God niet bestaat?

shutterstock_781927855-min

De periode dat ik begon aan een natuurwetenschappelijke studie viel samen met de periode dat ik me meer verdiepte in de Islam. Dat maakte dat ik de relatie tussen geloof en wetenschap fascinerend vond. Ondersteunt het elkaar, is er een conflict of geen van beide? Natuurwetenschap (hierna: wetenschap) houdt zich bezig met de studie van de waarneembare wereld om ons heen. Wat is licht en hoe gedraagt het zich? Wat gebeurt er in een cel? Er zijn miljoenen vragen waarmee wetenschappers zich op dit moment bezighouden. Middels wetenschap zijn ontelbare veranderingen en uitvindingen gerealiseerd. Dit zijn de tastbare, concrete uitkomsten van wetenschap.

Een ander interessant gevolg van onze toenemende wetenschappelijke kennis over de wereld om ons heen, is de rol die wetenschap is gaan spelen in levensbeschouwing. De toenemende wetenschappelijke kennis heeft bij veel mensen het idee gecreëerd dat God overbodig is. Mij viel op dat veel aanhangers van deze visie weinig kaas gegeten hadden van ‘de wetenschap’. Maar terug naar de vraag: maakt wetenschap God echt overbodig?

Laten we beginnen met een voorbeeld: zwaartekracht. Iedereen kent het concept. Waarom vallen dingen? Het antwoord dat we sinds de basisschool geleerd hebben: door de zwaartekracht. We kunnen met een natuurkundige theorie, zoals de theorie van Newton, heel nauwkeurig uitrekenen hoe snel iets valt, hoe lang dat duurt en zo verder. Een erg bruikbare theorie en ontzettend belangrijk in een hoop toepassingen. Maar iemand zou een stap verder kunnen gaan en zeggen: om te verklaren waarom dingen vallen hebben we geen God nodig, want daar hebben we de zwaartekracht voor. Dus iets wat op het eerste gezicht mysterieus lijkt (een soort wisselwerking tussen twee massa’s op afstand), blijkt bij nader inzien helemaal niet zo mysterieus. Het is namelijk te vatten in natuurwetenschappelijke theorie. Althans, zo lijkt de gedachte achter het idee dat wetenschap God overbodig zou maken.

Echter, als we goed kijken zien we dat deze uitspraak rammelt. Ten eerste, de theorie van zwaartekracht beschrijft alleen hoe dingen vallen. Bijvoorbeeld hoe snel een object naar de aarde toesnelt als het valt. De theorie van zwaartekracht doet geen enkele uitspraak over wat ervoor heeft gezorgd dat dingen vallen: is dat God of is dat een natuurlijk mechanisme waar geen schepper aan te pas komt? Ten tweede, zelfs als het ons lukt om zwaartekracht te verklaren in termen van een ander natuurlijk verschijnsel, kunnen we altijd doorvragen: waar komt dat natuurlijke verschijnsel dan vandaan?

Zo is gebleken dat de klassieke mechanica van Newton fundamenteel gebrekkig is. Van dit gebrek hebben we geen last in ‘alledaagse’ situaties. Maar in meer extreme natuurkundige situaties, is de theorie van Newton niet meer goed bruikbaar. Einstein kwam met de algemene relativiteitstheorie. In dit theoretische raamwerk zien we zwaartekracht als het effect van kromming in ruimte en tijd (ook wel ruimtetijd). Massa veroorzaakt die kromming in ruimtetijd. Deze manier van kijken naar ‘zwaartekracht’ is geheel anders dan die van Newton en blijkt wel accuraat in extremere situaties. Probleem opgelost zou je denken, want we weten nu wat zwaartekracht is! We worden echter gauw uit deze droom geholpen door de volgende vraag die zich aandient: waarom veroorzaakt massa in hemelsnaam kromming in de ruimtetijd? Dit is een nog onbeantwoorde vraag.

Het voorgaande illustreert iets van de zinloosheid van het neerzetten van wetenschappelijke theorie als ultieme verklaring die God overbodig maakt. Ten eerste zal wetenschappelijke theorie nooit een ultieme verklaring zijn, maar is het eerder het vatten van wat we kunnen observeren in een theoretisch raamwerk. Daarnaast vormt die wetenschappelijke theorie het raamwerk waarmee we de observeerbare wereld kunnen beschrijven, maar beschrijft het niet hoe hetgeen wij observeren tot stand is gekomen!

Ludwig Wittgenstein verwoordde het prachtig als volgt:

Aan de gehele moderne wereldbeschouwing ligt de dwaling ten grondslag dat de zogenaamde natuurwetten de verklaringen van de fenomenen zouden zijn.

Ook de filosoof René Woudenberg maakte een interessant punt hieromtrent. Hij stelt dat wetenschap geen verklaring kan geven voor de ordelijkheid die we observeren in het heelal, omdat wetenschap zelf ordelijkheid veronderstelt. Oftewel, om wetenschap te kunnen bedrijven, moet er al iets van ordelijkheid aanwezig zijn. De vraag wat er achter de wereld zit die we observeren, is niet met wetenschap te beantwoorden. Het is een levensbeschouwelijke kwestie. Je kunt de natuur beschrijven en verklaren in termen van andere natuurverschijnselen, maar dit verklaart niet het bestaan van die natuur op zich en zou niet de illusie moeten wekken dat dit een argument tegen het bestaan van God kan zijn.

Eenzelfde soort discussie speelt bij de evolutietheorie in relatie tot het bestaan van God. De evolutietheorie in relatie tot levensbeschouwing kan wellicht beter in een apart artikel besproken worden, maar het kan geen kwaad hier kort naar te verwijzen. In het kader van levensbeschouwing wordt de evolutietheorie namelijk nog wel eens gezien als argument of bewijs dat het leven ‘vanzelf’ ontwikkeld is; dat de evolutietheorie laat zien dat er geen God nodig is. Dit duidt niet per se op onwetendheid over de evolutietheorie zelf, maar wel op onbegrip over het bredere wetenschapsfilosofische plaatje. De evolutietheorie biedt, grof gezegd, een theoretisch raamwerk voor het beschrijven van de ontwikkeling van het leven op aarde en maakt daarbij gebruik van bepaalde modelingrediënten, zoals willekeurige mutaties. Dat raamwerk werkt erg goed in wetenschappelijke context. De evolutietheorie gaat in dit raamwerk dus uit van – bijvoorbeeld – willekeurige mutaties in genen die ten grondslag liggen aan biologische diversiteit. Of die mutaties echter willekeurig zijn of niet, is een vraag die niet wetenschappelijk te beantwoorden is. Meer in het algemeen, probeert wetenschap geen antwoord te geven op de vraag of iets toeval was of niet. Dat zijn namelijk twee interpretaties van de werkelijkheid, die empirisch niet te onderscheiden zijn van elkaar. Oftewel, er is geen wetenschappelijke methode te verzinnen waarmee men aan kan tonen dat iets wel of geen toeval was, voor zover het überhaupt mogelijk is te definiëren wat toeval is (lees bijvoorbeeld het boek van prof. Klaas Landsman ‘Naar alle onwaarschijnlijkheid’).

Het concept ‘willekeurig’ in deze context zou dus niet geïnterpreteerd moeten worden als fundamenteel willekeurig, net zo min als dat het opgooien van een muntje een fundamenteel willekeurig proces is. Het feit dat het opgooien van een muntje te beschrijven is met een simpel kansmodel (50/50 kans op kop/munt), maakt het nog geen kwantummechanica. Oftewel, dat het model zeer goed bruikbaar is, betekent niet dat de werkelijkheid volgt uit dat model; het is precies andersom. Overigens, een ander interessant punt omtrent de evolutietheorie in deze context (waar ik hier niet verder op zal ingaan), wordt gemaakt door wiskundige en statisticus prof. Ronald Meester in onder andere zijn boek ‘Het pseudoniem van God’. Hij beargumenteert dat het niet mogelijk is om te stellen dat de kans groot (of klein) is dat leven ‘vanzelf’ ontwikkeld is, daar deze kans niet te kwantificeren is vanwege de informatie die ontbreekt om deze berekening te kunnen doen.

Nu zou men kunnen zeggen dat dit flauw is en je zo bij alles wel kan zeggen dat God het misschien wel gedaan heeft. Zo kunnen we altijd ruimte overlaten voor het bestaan van een schepper voor die goedgelovigen die het moeilijk vinden afscheid te nemen. Maar dát is nu juist het punt. Net zoals het natuurwetenschappelijk niet aan te tonen is dat God iets veroorzaakt, is het ook niet aan te tonen dat dit niet zo is. De heersende gedachte hierover lijkt dat het uitgangspunt is dat het toeval was, en ja, misschien was God het wel voor als je dat wilt geloven. De evolutietheorie zelf geeft echter geen enkele voorkeur of argumentatie voor het één of voor het ander en biedt geen enkel uitgangspunt in dit vraagstuk.

En nog belangrijker: dat is ook niet het dóél van de evolutietheorie, noch van de wetenschap. De evolutietheorie noch de wetenschap doet een uitspraak over of het uiteindelijk een ongestuurd proces is of dat er een schepper achter zit. Dit is een niet-natuurwetenschappelijke vraag. Het is dan ook onzinnig om de natuurwetenschap hiervoor te gebruiken.

Stellen dat de mens per toeval is ontstaan, is even wetenschappelijk als stellen dat de mens gemaakt is door een schepper. Dit is geen natuurwetenschap, maar levensbeschouwing. Met natuurwetenschap beschrijven we de wereld om ons heen en verklaren we de natuur in het licht van andere natuurverschijnselen, maar geven we geen antwoord op de vraag hoe die tot stand kwam en of het toeval was of niet.

Het lijkt erop dat ‘wetenschap’ een excuus is geworden voor veel mensen om niet over levensvragen na te hoeven denken. Vragen die we in de moderne tijd niet meer lijken te stellen, zoals: ‘’Geloof ik dat het leven en mijn lichaam, inclusief mijn zicht, gehoor en denkvermogen, allemaal het resultaat zijn van een ongestuurd proces en ongestuurde ontwikkelingen?’’ We kunnen de wetenschap niet gebruiken om die vraag weg te moffelen, te doen alsof hij niet bestaat of al is ‘afgehandeld’. Aangezien de vraag nog overeind staat én het een fundamentele vraag is, zou iedereen hier voor zichzelf over na moeten denken.

Sta er eens bij stil: lijkt het erop dat het allemaal vanzelf is gegaan? Dit is een belangrijke vraag over de essentie van ons leven; zó belangrijk dat sommigen hem het liefst ontwijken. Als je namelijk tot de conclusie komt dat het moeilijk vol te houden is dat de wereld met alles erin, en dus ook het leven, ‘vanzelf’ is ontstaan, dan is er waarschijnlijk ook een doel achter ons bestaan. En als het bestaan een doel heeft, dan betekent dit dat wij in plaats van het betekenisloos volgen van onze lusten en begeerten een hoger doel zouden moeten nastreven. Wetenschap is voor sommigen de nieuwe manier geworden om deze grote levensvraag aan de kant te schuiven. Een dieper inzicht in wetenschap wijst echter uit dat deze grote vraag nog steeds overeind staat. Zoals prof. Ad Lagendijk het verwoordde in zijn oratie:

Mijn conclusie is duidelijk. Het antwoord op de ultieme vragen kan niet experimenteel getest worden en het zoeken naar deze antwoorden behoort niet tot het domein van de natuurkunde. Dit moet toch een hele geruststelling zijn voor theologen. Er zijn ook geen proefschriften nodig om deze open deur voor de zoveelste keer in te trappen. Het zijn echter de fysici die de onduidelijkheid steeds maar weer laten voortbestaan. Blijkbaar kost het de fysici heel veel moeite om deze vorm van impotentie te accepteren.

Nu je weet dat ‘de wetenschap’ deze vraag niet voor jou zal beantwoorden, is het hoog tijd deze vraag aan jezélf voor te leggen.

Ook interessant!